Nevelvrouw by Linda Wormhoudt (2016)

Het boek is verschenen, vele maanden hard werken zijn achter de rug. Een bijzonder boek, dat staat buiten kijf. De derde in een serie, de eerste twee waren adembenemend en hebben menig lezer diep getroffen. Op zielsniveau, want dat doen Linda’s boeken! Kind van de wegen heet de serie. Deel 1 Nephilim speelt zich af in Koerdistan, deel 2 Beschermheer in Lapland en deel 3 Nevelvrouw in IJsland en Groenland. Alle delen zijn gebaseerd op ware gebeurtenissen en innerlijke beelden. Het sjamanistische pad dat Linda Wormhoudt al meer dan twintig jaar als volgster van Odin loopt, kent vele waarheden en meerdere werelden.

nevelvrouw-linda wormhoudt

Ga naar IJsland en zoek de rivier die naar boven stroomt. Deze boodschap kreeg Linda steeds weer in haar dromen. Waarom IJsland? Welke rivier? Wie fluistert haar deze opdracht in? Nevelvrouw is een spirituele roman over trouw en verraad, over vergeten volkeren, Reuzen, Trollen en Alfen. Over dood en leven, over chaos en orde. En over de goden Odin en Loki, ooit bloedbroeders, nu onbroeders. Wat heeft Hella, de godin van het dodenrijk, voor met die zoekende vrouw uit de Lage Landen? Waarom wil de Nevelvrouw haar kennis over het dodenwiel, de schaduw van het levenswiel aan haar overdragen? Welke rol spelen de verloren runen, de magische symbolen van alle stammen, nu hervonden en net zo krachtig als toen?

Nevelvrouw by Linda Wormhoudt
ISBN: 978 94 91557 29 3
A3 boeken
240 pagina’s 
€ 19,50
te bestellen bij Linda Wormhoudt: spirit_matters@hotmail.com  (je krijgt energetisch een beetje extra Nevelvrouw bij een gesigneerd exemplaar)

Nevel vrouw

Als je een boek schrijft, woon je in het boek. Je woont tussen de letters en net achter de zinnen. Als je boodschappen gaat doen, loopt het verhaal met je mee, en peins je over alinea’s. Stukjes van het verhaal dwarrelen om je heen en eisen je aandacht op. Je droomt de gedichten en maakt je zorgen over taalgebruik. Sommige stukken leven al zo lang in je hoofd, en nu moet je ze naar de Middenwereld halen.

Sommige delen van het boek waren makkelijk te schrijven. Ik moest mijn herinneringen terughalen, en sommigen waren nog vers. Andere delen waren moeilijker omdat ze achter mijn hart waren verstopt en ik niet wist wat ik mocht en durfde te delen. Pas toen alles ‘op papier’ stond kon ik dat bepalen, en toen heb ik, op aanraden van de krachten waarmee ik werk, kennis geschrapt. Niet alles. De kern bleef.
Het verhaal van Nevelvrouw (Hella) is haar verhaal, en ik ben slechts de vertaalster. Het is het verhaal over hoe ik het contact met de dodengodin verdiepte en hoe ze mijn pad vormde. Het is het verhaal over wie ze is en waar ze vandaan komt.

Ik ben zeker van plan om te gaan spammen over het Nevelvrouw boek. Want het boek gaat niet alleen over de Nevelvrouw, er is zoveel meer. En als je A schrijft moet je ook B schrijven.

Als je boek klaar is en de wereld in trekt, is dat voor een schrijver een vreemd moment. Het verhaal wil verder en de kennis ook. Het verhaal wil los en eigen avonturen beleven, en niet meer onder je hart schuilen. En je wilt als schrijver zo graag je verhaal beschermen, dicht bij je houden, adviezen meegeven en waarschuwen. Je weet hoe mensen kunnen reageren, je weet dat er commentaar gaat komen. Mooie en leuke commentaren, en de minder mooie. Sommigen zullen het verhaal en de kennis begrijpen en voelen, sommigen kunnen trappen en anderen zullen zwijgen. Je hield informatie zo lang bij je, om het te laten rijpen, en nu moet je het loslaten.
En ik kan het, want zij wenst het.
Ik durf te springen want zij vangt mij op.
Ik durf te schrijven want hij wenst het.
Ik durf te springen want hij vangt mij op.

Straks gaan jullie het boek lezen. Althans, dat hoop ik 🙂
Dan lezen jullie over haar, over hem
over de Rode.
over de stamrunen.
over IJsland.
Over een vrouwe, in Yde.
Ja, over Mikha en hoe het verder ging-
Over Meer.

Weet dat ik het in liefde schreef.

Linda Wormhoudt
Amsterdam, 3 juni 2016

 

 

Geplaatst in Divine Feminine, Divine Women, Godinnen, Het vrouwelijk goddelijke, Sjamanisme | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Is het patriarchaat zo oud als de mensheid of is het een recente ‘uitvinding’?

In dit blog de reactie van dr. Annine van der Meer op een artikel van Carel van Schaik met als titel: ‘Onderdrukking vrouwen is een recente ‘uitvinding’ op de Opinie-pagina van TROUW van dinsdag 8 maart 2016. Daarna verscheen op 17 maart in TROUW als reactie hierop een bijdrage van Bert van der Spek getiteld ‘Al in de oertijd domineerde de man’. Op beide artikelen wordt in onderstaand artikel gereageerd. In de visie van Annine van der Meer is de onderdrukking van vrouwen van veel recenter datum dan van Schaik’s 10.000 v. Chr. Juist omdat de extreme vrouwvijandigheid de mensheidsgeschiedenis ruim 5000 jaar parten speelt, wordt het tijd de uiterst negatieve gevolgen van deze ‘uitvinding’ van het patriarchaat te ontmantelen.

meisje zijn is pech hebben

Vrouwen verzamelen het voedsel

In het artikel van Carel van Schaik, dat handelt over zijn zojuist uitgekomen boek ‘Het Oerboek van de Mens’ onderschrijf ik de volgende openingszin ten dele: ‘Eens leefden wij allemaal van wat de natuur ons bood, als nomadische jagers-verzamelaars’. Van Schaik spreekt van ‘verzamelaars’ en niet van ‘voedselverzamelaarsters’. Hij negeert hiermee de talloze moderne antropologische studies bij moderne jagers verzamelaars culturen; hun recente onderzoek wijst uit dat de bijdrage van de vrouw aan het menu van de Oude Steentijd op zijn minst 75% heeft bedragen; de nieuwste cijfers gaan zelfs uit van 80 tot 90%.[i] Het gaat dus om jagers en voedselverzamelaarsters-culturen. In de traditionele beeldvorming zorgt de jager voor de voedselleverantie; dat onjuiste en eenzijdig patriarchale beeld wordt nu aangevuld voedselverzamelende vrouwen die het leeuwendeel van het voedsel binnenbrengen. Zij doen hiermee een enorme planten- en kruidenkennis op en staan ook aan de basis van de heelkunde en kruidengeneeskunde.

Van Schaik vervolgt: ‘Wij leefdenin kleine groepen, waarin iedereen elkaar hielp, waarin delen het hoogste gebod was en waarin dominant optreden met hoon werd gegroet. Onder de weinige volkeren die nu nog zo leven, voelen vrouwen zich niet systematisch misdeeld  en genieten zij een zekere economische en seksuele autonomie. Deze rolverdeling tussen geslachten was in honderdduizend jaren geleidelijk ontstaan’. De zinsnede ‘genieten zij een zekere economische en seksuele autonomie’ doet het aandeel van de vrouw aan de evolutie tekort: de vrouw leverde een tot op heden niet herkend en erkend aandeel in de evolutie in  biologisch, sociaal, economisch, linguistisch en spiritueel opzicht.[ii]

De eerste boeren zijn boerinnen

Mijn voornaamste bezwaar ligt in de volgende alinea van van Schaik: ‘Rond 12.000 jaar geleden begonnen de eerste mensen zelf hun voedsel te produceren: de landbouwrevolutie was begonnen. Deze dramatische verandering in levensstijl gooide alles overhoop… De oorzaak hiervan is het ontstaan van privé-bezit van land, vee, voorraden en onroerend goed. Om dat bezit te verdedigen werden de banden tussen mannen binnen de familie essentiëel en werden zonen de erfgenamen. In het patriarchaat dat toen ontstond, werden vrouwen uitgehuwelijk tussen clans en verloren zij hun autonomie’.

Het is een grote misvatting het patriarchaat te laten beginnen bij de landbouwrevolutie aan het eind van de laatste IJstijd rond 10.000 v. Chr. Vrouwen met hun grote kennis van de plantenwereld, zijn de drijvende krachten geweest achter het oogsten van wilde granen en het aanleggen van kleine akkers en tuinen. Archeologe Theya Molleson, Akkerman en Schwarz en ook emeritus hoogleraar prof. dr. Louis Beyens van de universiteit van Antwerpen stellen dat botonderzoek bij de vrouwelijke skeletten uit onder andere Abu Hureyra in Syrië uitwijst, dat  de vrouwenbotten slijtageplekken vertonen op bepaalde cruciale plaatsen als de onderrug, knieën, enkels, polsen en de grote teen. Dit duidt op overbelasting bij het voorovergebogen en geknield malen en verwerken van de granen tot voedsel (De Graangodin. Het ontstaan van de landbouw, 2004, 2009, 163-69).[iii]

Het zijn de vrouwen die aan de wieg staan van de landbouwrevolutie. Vroege landbouwculturen zijn egalitaire culturen of samenlevingen in balans waarin vrouwen en mannen aan elkaar gelijkwaardig zijn. Zij zijn vreedzaam.

Het vrouwbeeld bepaalt het mensbeeld

In zowel jagers en voedselverzamelaarsters-  als landbouwculturen vervullen vrouwen een centrale rol, getuige de grote hoeveelheid vrouwelijke kunst die vanaf mid 19e eeuw door de eerste (mannelijke) archeologen opgegraven is. Het vrouwbeeld bepaalt het mensbeeld, poneert prof. dr. Nicholas Conard, de vinder van de Venus van Hohle Fels uit 30.000 v. Chr. uit Duitsland in 2009 (Eiszeit Kunst und Kultur, 2009, 282).[iv] Die vrouwelijke kunst van tijdens en na de IJstijd wordt Venuskunst genoemd. Tot dusver werd en wordt deze vrouwelijke kunst die zowel rubensachtige als zeer slanke dames in beeld brengt, erotisch en seksueel geduid zonder acht te slaan op de symbooltaal. De symbolen spreken een andere taal: de taal van generatie en regeneratie, van geboorte, sterven en wedergeboorte.

Een vreedzame expansie

De archeo-botanica wijst uit dat vroege landbouwculturen zich langs een netwerk van waterwegen vreedzaam verplaatsen; bij verhuizing naar een nieuwe vestiging nemen ze hun zaden en planten met zich mee.[v] Er is in de periode 10.000 tot 3000 v. Chr. voor een zich groeiende bevolking meer dan genoeg ruimte voor uitbreiding. Er vindt een vreedzame expansie plaats  langs de grote rivieren. DNA-onderzoek toont aan dat het om een geleidelijke verplaatsing gaat van 1 km per jaar[vi] en 18 km per generatie.[vii] De eerder genoemde Louis Beyens volgt de vreedzame expansie van vroege landbouwers vanuit het Midden-Oosten en Anatolië, Europa in. De landbouwende grootfamilies trekken over een brede Lössgordel langs de monding van de Donau stroomopwaarts en bereiken Noord-Europa met de Rijn, Maas en Schelde in 1500 jaar.[viii]

Steve Taylor en talloze anderen hebben aangetoond dat er in de periode tot 4000 tot 3000 v. Chr. slechts incidenteel strijd wordt gevoerd, er is (nog) geen structurele oorlogvoering met beroepslegers. Er is weinig of geen tweedracht en strijd: de kunst is vreedzaam, in de graven worden geen wapens gevonden en de nederzettingen zijn niet ommuurd voor verdediging. Trauma’s op skeletten uit de Nieuwe Steentijd kunnen samenhangen met rituele begrafenismethoden. (Steve Taylor, The fall. The insanity of The Ego in Human History and the Dawning of a New Era, 2005, 2010).[ix] Die toestand van harmonie en vrede is in tal van moderne inheemse culturen over duizenden jaren wijze bewaard. Zij staan in een oudere Wijsheidstraditie. Kortom: de introductie van de landbouw brengt niet direct privé-bezit en strijd met zich mee. Wanneer gebeurt dit dan wel?

Het patriarchaat begint

De veranderingen die de mensheid in de fase van het patriarchaat brengen, beginnen in de Bronstijd vanaf circa 3000 v. Chr. Ze zijn een gevolg van een klimaatcrisis in de steppegordel; deze strekt zich als een baan van golvend grasland uit van Budapest tot Peking. Koudegolven teisteren de steppe in een soort mini-ijstijden waarin er ook nog eens extreem weinig regen valt. Juist in koude- en droogte periodes slaan volkeren die sedentair of semi-sedentair de grote steppen van Eurazië bewoonden, op drift. Zij rijden paard, hanteren bronzen wapens en overvallen de landbouwculturen naar het Westen toe in de Balkan, naar het Zuiden toe in Mesopotamië, Iran en India en meer naar het Oosten in China. Op dit moment zijn die gebieden in de wereld waar de aarde verder is uitgedroogd,is verwoestijnd en versteend, de oorlogsgebieden.[x]

Van gelijkwaardigheid naar dominantie, van vrede naar oorlog

Vanaf 3000 v. Chr. ontstaat er een kettingreactie waarbij tot dusver vreedzame culturen zich tegen de invallende en steppe-nomaden moeten verdedigen en dus bewapenen. De steppe-nomaden huldigen een patriarchaal wereldbeeld met mannelijke oppergoden. Het zijn hemelgoden die in de trant van de Indo-Europese oppergod Zeus met donder en bliksem werpen. Zij kennen een mannelijke leider die een groep mannelijke nomadische strijders aanvoert. De sociale rol van de vrouw die traditioneel verbonden is met de aarde en de bodem(bewerking), wordt gereduceerd tot de rol van echtgenote van… en nog veel later tot die van bijvrouw van, haremvrouw van, minnares van. Er ontwikkelt zich in een dominantie-systeem van een kleine elite tot een grote groep onderdrukte vrouwen én mannen, van heersers tot slaven, van een hiërarchie waarin binnenshuis de man over de vrouw heerst, de vader over de moeder en hun beider kinderen heerst. Mét de pater familias is het patriarchaat geboren.

De sociobiologie is geen hard bewijs voor de eeuwigheidswaarde van het patriarchaat

Over naar Bert van der Spek die in zijn bijdrage ‘Al in de oertijd domineerde de man’ op van Schaik reageert. Hij stelt: ‘Dominantie van mannen is van veel oudere datum (dan van Schaik’s 10.000 v. Chr) en is niet begonnen bij de landbouwrevolutie en zelfs niet bij de homo sapiens, zoals bijvoorbeeld bij diverse soorten primaten (met name chimpansees en gorilla’s) en leeuwen’. Van der Spek negeert hier het onderzoek van de sociobiologie en het onderzoek van een bioloog als Frans de Waal. Bij primaten en hogere zoogdieren hebben vaak de oudere vrouwtjes de leiding over de kudde, olifantenwijfjes kennen de veilige routes naar voeder- en drinkplaatsen. De vrouwtjes en jongen verblijven in het centrum van de kudde terwijl de mannetjes daaromheen een beschermende functie uitoefenen. Deze sociale orde zou zich in vroege mensengroepen herhaald hebben.[xi]

Inheemse culturen zijn pas na patriarchalisering oorlogszuchtig

Van der Spek vervolgt: ‘van Schaik schildert een volstrekt achterhaald, romantisch en onbewezen beeld van gelijkheid en harmonie in zulke samenlevingen. Ook in recente jagers-verzamelaars samenlevingen als in voormalig Nieuw Guinea is hiervan geen sprake’. Hier blijkt dat van der Spek niet op de hoogte is van recent antropologisch onderzoek naar moderne inheemse volken die vreedzaam en harmonieus leven voordat zij gepatriarchaliseerd worden. Oorzaken van latere patriarchalisering kunnen zijn: een toenemende schaarste als gevolg van klimaatverandering, overheersing van buitenaf en meer recent: het ingrijpen van multinationals in de bodemschatten op hun grondgebied en het op gang komen van het massatoerisme.[xii]

De historie als ‘his- story’

Van der Spek gaat in een adem over van oude jagers-verzamelaarsters samenlevingen  op maatschappijen in de Oudheid. Daarbij laat hij na de tussenliggende culturen uit Nieuwe Steentijd, Kopertijd en Bronstijd in zijn betoog te betrekken; hiermee verheft hij de situatie in de Oudheid als norm voor de hele prehistorie en historie: ‘In de Oudheid waren alle maatschappijen die wij kunnen bestuderen op basis van geschreven bronnenmateriaal, patriarchaal en was er sprake van een vaak (niet altijd) eenhoofdig bestuur (een koning)’…. ‘mannen maakten er de dienst uit’.

Deze opmerking over het patriarchaat in de antieke en klassieke oudheid is volledig juist. Maar het probleem is nu juist dat de patriarchale geschiedschrijving onze geschiedenis laat beginnen bij de bestudering van geschreven bronnen zonder de beeld- of symbooltaal van oudere culturen mee te nemen. Alle geschreven bronnen zijn in het patriarchaat opgeschreven door mannen die in een sterk gepatriarchaliseerde samenleving opgroeien. Dat maakt onze ‘history’ tot ‘his-story’; de zaak van de vrouw is dan al lang verloren. En nog steeds denken sommigen, waaronder Bert van der Spek, dat dit altijd zo geweest is. Die culturele bagage belet velen van ons, onderricht als wij zijn vanuit gedateerde school- en universitaire handboeken, de oogkleppen af te werpen en oog te krijgen over de situatie van vòòr de opkomst van het patriarchaat vanaf 3000 v. Chr. Ook verhindert het ons oog te hebben voor de verworvenheden van inheemse culturen die in hun egalitaire samenlevingsvormen niet primitief maar juist beschaafd blijken. Samenlevingen in balans gaan aan samenlevingen uit balans vooraf. De mens is niet van nature tot het kwade en tot strijd geneigd; de mens heeft een goede inborst; latere op eigenbelang gerichte economische en culturele invloeden kunnen hem/haar op het verkeerde been zetten en negatief beïnvloeden.

 Het patriarchaat is niet van alle tijden

Van der Spek: ‘in vrijwel alle godsdiensten domineren mannelijke goden’. Juist. Hij vervolgt: ‘het monotheïsme, een tamelijk jong inzicht in de oudheid, heeft dan ook niets met de introductie van vrouwen te maken, die was er al lang’. Niet Juist. Voorafgaand aan het exclusieve monotheïsme van de ene mannelijke God heeft ook in Oud-Israël een minder vrouwvijandig en inclusief monotheïsme  bestaan met een godenfamilie van Vader, Moeder en Zonen en Dochters. Nog veel verder terug in de tijd is er sprake van natuurreligie met Moeder Aarde en de kosmos, een natuurreligie waarbij vrouwen met hun verbinding met de aarde een grote rol spelen.[xiii] Van der Spek: ‘Alle geschriften, religieuze en andere, bijbelse en niet-bijbelse, zijn voor het overgrote deel door mannen geschreven’. Zeer juist. Maar hij vergeet daarbij te vermelden dat in Oud-Israël de bijbelse teksten aantoonbaar zijn herbewerkt en aangepast zijn aan een toenemende vrouwvijandigheid in de periode van de Tweede Tempel, na terugkomst uit de Babylonische Ballingschap vanaf de late 6e eeuw v. Chr. Toen brak het exclusive mannelijke monotheïsme pas goed door, maar daarvoor deed het goddelijk vrouwelijke in de persoon van Vrouwe Wijsheid nog mee. Academie Pansophia, de stichting waaraan ik verbonden ben, organiseert over de ‘correcties van de schrijvers’ op 9 april 2016 a.s. in Baarn een hoogst interessante en belangrijke studiedag.

Vrouwvijandigheid is een recente ‘uitvinding’

Het grote probleem is dat monotheïstische godsdiensten de vrouwvijandigheid, die vaak later in de teksten is ingevoerd, rechtvaardigen door een letterlijke interpretatie van de huidige tekst. Dit terwijl deze heilige tekst vaak honderden keren is omgewerkt naar de uiterst vrouwvijandige opvattingen van leerlingen van grondleggers van wereldreligies. Het zijn deze latere uitleggers van de teksten die de teksten veranderen en hún bewerking eeuwigheidswaarde geven.

Vrouwvijandigheid is niet van alle tijden, is niet in de mensheid ingebakken en dient in historisch perspectief geplaatst te worden. Vreedzaamheid en gelijkwaardigheid tussen de geslachten hebben oudere papieren dan de ongelijkheid en dominantie uit de tijd van het patriarchaat. Het patriarchaat heeft geen eeuwigheidswaarde, in tegendeel: ik voorspel dat het zijn langste tijd gehad heeft. Het is de hoogste tijd om het definitief en wereldwijd ten grave te dragen.

Dr. Annine E. G. van der Meer, auteur en wetenschappelijk onderzoeker, 21 maart 2016.

Een korte samenvatting van dit artikel is als PDF te downloaden: artikel patriarchaat 550 woorden D (2)

wordt vervolgd submission wereldwijd

Noten:

[i] Annine van der Meer, Van Venus tot Madonna, Den Haag, 2006, 2015, 84 n 2 met verw. naar Adrienne Zihlmann, Nancy Tanner, Margaret Eherenberg, Elisabeth Badinter, Pepe Rodriguez en M. Kay Martin en Barbara Voorhies; van der Meer, Venus is geen Vamp. Het vrouwbeeld in 35.000 jaar Venuskunst, Geesteren, 2009, 59; van der Meer, The Language of MA the primal mother. The evolution of the female image in 40,000 years of global female art, Den Haag, 2013, 53. Afkortingen van mijn boeken zijn: VVTM, VIGV en LOMA.

[ii] VTTM 84; VIGV 61 paragraaf ‘Het einde van het vrouwloze beeld van de geschiedenis’; LOMA 53-4 met paragrafen: ‘The end of the myth of the passive primal woman’ en ‘The End of a history without women’.

[iii] VIGV 107 n 15 met verw. naar Akkerman en Schwarz; LOMA 123 n 42 met verw. Theya Molleson, Akkerman en Schwarz en Louis Beyens, De Graandgodin, Het ontstaan van de landbouw, Amsterdam, 2004, 2009, 162-165 die op 165 een afbeelding geeft van de stresspunten die het vermalen van graan op het vrouwelijk skelet achterlaat; VIGV en LOMA noemen ook nog het onderzoek van Marsha Ogilvie in Arizona waar uit de ribbelige opbouw van de mannelijke dijbenen blijkt dat mannen langer blijven lopen en doorjagen.

[iv] N Conard, ‘Eindeutlich männlich, Ein Phallus aus dem Hohle Fels’, Eiszeit Kunst und Kultur, Stuttgart, 2009, 282-285, 282; LOMA 69 n 75.

[v] LOMA 127 n 88 met verw. naar D. Zohary en M. Hopf, Oxford, 2000 en Beyens, De Graangodin, 236.

[vi] LOMA 127 n 85 met verw. naar studies van Albert Cammerman en Luca Cavalli Sforza, Princeton, 1984 en Barry Cunliffe, 2011, 106.

[vii] LOMA 127 n 86 met verw. naar Beyens, De Graangodin, 238.

[viii] LOMA 127.

[ix] Steve Taylor, The fall. The insanity of The Ego in Human History and the Dawning of a New Era, Alresford, 2005, 2010.

[x] VIGV 109; veel uitgebreider in LOMA 127-135 met paragrafen ‘The Bronze Age: Steppe tribes in Eurasia: from agriculture and livestock-raising to nomadism’ en ‘The End of Old Europe’; zie www.anninevandermeer.nl onder button ‘Vaderland’ en ‘Mensenland’ voor diverse recente artikelen.

[xi] VIGV 61; LOMA 54.

[xii] zie www.anninevandermeer.nl onder button ‘Mensenland’ voor het recente aritkel ‘Samenlevingen in Balans, uitgebreid’.

[xiii] VVTM dl IV ‘De Winter: de ondergang van God de moeder in joden- en christendom’, 355-474; Van der Meer, Van Sohpia tot Maria. De wedergeboorte van de verborgen Moeder in de 21e eeuw, Geesteren, 2009; zie www.anninevandermeer.nl onder artikelen 2012 en 2013; Margaret Barker, The Mother of the Lord. Vol 1: The Lady in the Temple, London, 2012.

Geplaatst in Godinnen, Het vrouwelijk goddelijke | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Nieuw licht op Nehalennia, de godin van de Noordzee

Onlangs is Nehalennia als een zeemeermin opgedoken uit de Zeeuwse wateren. Zij is verreweg de meest populaire godin van Nederlandse bodem in de Romeinse periode. Van haar zijn 370 altaren met inscripties en talloze beelden opgedoken, maar toch heeft Nehalennia de schoolboeken niet gehaald. Toch, de ‘godin van de Noordzee’ blijkt na kennismaking meer dan de moeite waard. Vooral wanneer je haar beziet vanuit de beeldtaal op haar altaren.

nehalennia

Nehalennia-tempels in Zeeland

Zeeland is met zekerheid twee Nehalennia-tempels rijk. De eerste tempel bevindt zich in de Romeinse tijd direct aan de kust bij Domburg op Walcheren. Daar lag vroeger een inham in de hoge duinenrij. Deze vormde een soort zeehaven voor de Romeinse vloot. Op een hoog duin te midden van een soort bos bevond zich bij een zoetwaterbron de tempel. Een storm in 1647 legde op het strand bij Domburg de fundamenten, omzoomd door boomstronken, bloot. Tegenwoordig liggen de fundamenten van de tempel ver in zee en zijn bedekt door zand en zeewater. De andere tempel ligt voor de kust bij het dorp Colijnsplaat op Noord-Beveland. Daar waar nu het water van de huidige Oosterschelde stroomt, lag een Romeins dorp met rivierhaven, genaamd Ganuenta; het dorp is met tempel en al aan het einde van de vierde eeuw na Christus door de Schelde verzwolgen. Pas in 1971 komen de eerste altaren naar boven omdat een beroepsschipper deze opvist. Na deze vette vangst wordt er honderden keren gedoken, maar moeten de duikers wachten op de zogenaamde giertijd waarbij de sterke stroming het zand van de tempels wegspoelt, vervolgens moet ze vijfentwintig meter diep duiken om de fundamenten van de verzonken tempel terug te vinden. In totaal worden er 330 (delen van) altaren opgedoken alsmede diverse grote en kleine beelden.

visser bootvisser boot2

Geen aandacht voor Nehalennia in de vaderlandse geschiedenis

Nehalennia heeft om meerdere redenen de vaderlandse geschiedenisboeken niet gehaald. In de strijd tegen het water ging veel uit het verleden verloren. Nehalennia moest letterlijk worden opgevist. Maar er is meer aan de hand. De schenkers van alle 370 Nehalennia-altaren zijn allen mannen, zo blijkt uit de Latijnse inscripties op de altaren. Hierop hebben zij zichzelf, altijd met naam en toenaam, laten vereeuwigen. Soms vermelden ze ook hun beroep, handelswaar en herkomst. Het zijn voornamelijk schippers, reders en kooplieden. De meesten zijn ‘Engelandvaarders’, die de Noordzee bevaren. Hun vrouwen en kinderen blijven thuis en worden niet vermeld. Wanneer de altaren van de ‘godin van de Noordzee’ eenmaal boven water komt, beschrijven (mannelijke) archeologen de vaderlandse geschiedenis vanuit mannelijk perspectief. Ze onderzoeken de namen van de uitsluitend mannelijke schenkers van de altaren, hun handelswaar en hun routes. Zij stellen nauwkeurig vast of de schenker Romein, Kelt of Germaan is en langs welke land- en waterwegen hij de Romeinse legers aan de Rijngrens en in Noord-Engeland bevoorraadt. Het conventionele twintigste-eeuwse onderzoek richt zich vanuit mannelijk perspectief op de militaire en sociaal-economische geschiedenis. Kortom, de onderzoekers focussen zich op de Latijnse inscripties over de mannelijke schenkers en niet op de godin zelf.

Nehalennia

De beeldtaal van Nehalennia

Wanneer je Nehalennia vanuit de beeldtaal op haar altaren benadert, krijg je oog voor de iconografie van godin. Nehalennia heeft verschillende invloedsferen. Zij is gezeten op een troon die is opgesteld op een platform. Boven haar hoofd is er het schelpvormige baldakijn. Dit zijn symbolen van de bovenwereld. In de aardse middenwereld bestiert zij de levengevende kracht van de natuur en de vruchtbaarheid. Hiertoe dienen tal van vegetatie-symbolen. Altijd heeft zij in haar linkerhand een mand met vruchten. In haar rechterhand kan zij een bosje tarwehalmen, groenten of een lange stuurriem (of helmstok) vasthouden. Zij is de stuurvrouw die het schip veilig over de wateren brengt. Voor de onderwereld zijn er weer andere symbolen. Bij haar linkervoet staat vrijwel altijd een grote mand met appels, mogelijk granaatappels, de vruchten van de onderwereld. Aan haar rechtervoet zit haar trouwe begeleider: de hond die vaak naar haar opkijkt. Samen met dit dier begeleidt zij de zielen van de overledenen over de wateren van het hiernamaals naar de andere wereld. Zij toont zich hiermee een echte Moeder die zich, ook in een leven na de dood, over haar kinderen ontfermt.

II. 1. 41 b Nehalennia Colijnsplaat Ganuenta Stuart 67

Nehalennia en de ‘Drie Dames uit Duitsland’

Nehalennia komt op twee altaarstenen meermalen voor. Hierin toont zij grote overeenkomst met altaarstenen van ‘De Drie Dames’, drie Moedergodinnen uit Duitsland. Zij komen voor op maar liefst 850 altaarstenen, die in Duitsland ‘De Matronen’ worden genoemd. Tien procent van alle  Matronenaltaren is – in tegenstelling tot de situatie in Zeeland – geschonken door een vrouw. Een derde draagt de namen van zelfstandige vrouwen, echtparen en grootfamilies. Op de Matronenaltaren zie je in het midden een jonge meisje (de Maagd) zitten met losse haren die in een scheiding vallen: zij staat voor de aarde of de middenwereld. Rechts van haar zit haar Moeder met een grote ballonvormige hoed: zij staat voor de zon of de bovenwereld. Links van haar zit met eenzelfde ballonvormige grote hoed haar Grootmoeder, die staat voor de maan of de onderwereld.

Wat betekent deze drievoudigheid? Als eerste symboliseren de godinnen de verbinding tussen de boven-, midden- en onderwereld, en tussen zon, aarde en maan. De drievoudigheid kan echter ook duiden op het wisselen van de aardse seizoenen in de lente, zomer, winter en vervolgens de nieuwe lente die volgt. Altijd symboliseren de drie godinnen de relatie tussen het scheppen, het behouden en het transformeren.

 

Nehalennia en de tot dusver onzichtbaar gebleven vrouwen

Nehalennia leek tot nu slechts omringd te zijn door mannelijke offeraars en schenkers. Maar dat wordt anders wanneer je haar iconografie erbij betrekt. Dan zijn er meerdere groepen vrouwen rond Nehalennia te onderscheiden.

Als eerste is er, op een enkel zijpaneel uit de Romeinse tijd, de offeraarster.  Zij schenkt – terwijl zij gehuld gaat in ceremoniële en sacrale kleding – een bloemslinger of vruchten.

Als tweede de gewone vrouw die vaak een offer in natura naar de tempel brengt in de vorm van vruchten, een bosje groenten of graanhalmen. Nehalennia draagt deze offergaves op haar schoot of houdt ze in haar hand. De bovenkant van de altaren toont – vereeuwigd in steen – deze gaven in natura.

Als derde de vrouw die een klein terracotta-beeldje van de Moedergodin offert. In Ganuenta zijn naast 330 (delen van) altaren ook vijf kleine terracotta beeldjes of statuettten boven water gekomen. Het offeren van een kleine statuette is veel en veel goedkoper dan het schenken van een grote altaarsteen. Vaak zijn de beeldjes vervaardigd in ateliers bij tempels. Er is geschat dat alleen al de ateliers in Centraal Gallië en Duitsland tussen de 500.000 en 1 miljoen beeldjes hebben gefabriceerd in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling. Een Matronen-onderzoeker in Duitsland stelde dat minstens 50 % uit godinnen met moederlijke- of vruchtbaarheidseigenschappen bestaat, het zijn moedergodin-beeldjes. (In Duitsland ziet men Nehalennia vanwege talloze gemeenschappelijke symboolkenmerken, ook als moedergodin). Deze schatting lijkt binnen de internationale contekst met de grote meerderheid aan locale vrouwelijke godheden en aan hun geofferde kunst, aan de magere kant.

Voor Nederland is vastgesteld dat onder de kleine terracotta-beeldjes en altaarstukken de vrouwelijke godheden in de meerderheid zijn. Het is hier dat de onzichtbare vrouwen naar voren komen, in grote getalen. Vrouwen hebben een band met hun ‘locale’ godinnen, zoeken hun steun en hebben aan hen geofferd.

Als vierde de priesteres die de boodschappen van de godin als een soort profetes of orakel naar de mensen brengt.


Het orakel Nehalennia

Van de vele Matroneninscripties op wijstenen zijn er meer dan honderd teruggevonden die een openbaringsinscriptie bevatten. De stenen zijn door de schenk(st)ers geschonken nadat de godinnen zich openbaarden in een visioen of in een droom. Dit duidt op rechtstreeks contact tussen de godinnen en hun aanhang. Ook op de vele teruggevonden wijstenen van Nehalennia zijn drie openbaringsinscripties gevonden. Van twaalf vroeg-Germaanse godinnen zijn altaren teruggevonden die gestaan hebben in heiligdommen in de openlucht. Jan de Vries en Kees Samplonius gaan ervan uit dat bij al deze twaalf godinnen van Hollandse bodem ge-orakeld is. Profeteren en orakelen is van oudsher een specialisme van vrouwen, van ‘wijze vrouwen’. Vast staat dat zowel de Kelten, de Romeinen alsmede de Germanen respect hadden voor de voorspellende en genezende gaven van wijze vrouwen. Hun invloed was enorm groot, want met hun schouwende vermogens hielpen zij de mensen en zorgden ze voor genezing. In de tempels van Nehalennia waarbij zij als godin van de onderwereld wordt gerepresenteerd, is sprake van  een nieuw en onverwacht aspect: zij is het orakel van de Lage Landen. Met het boven water halen van de godin Nehalennia wordt een ding steeds duidelijker : wij hebben de Pythia’s van eigen bodem teruggevonden ! Op zoek naar meer onderzoek om onze godin in de geschiedenisboeken te krijgen !


© Annine van der Meer

1 maart 2016

Dr Annine E. G. van der Meer is godsdiensthistoricus, theoloog en symbooldeskundige. Zij schreef een aantal gezaghebbende boeken over vergeten vrouwen uit de wereldgeschiedenis  http://www.anninevandermeer.nl
In 2015 publiceerde zij naast een boek over de Zwarte Madonna het boek Nieuw Licht op Nehalennia. Over een Zeeuwse Moedergodin uit de vaderlandse geschiedenis en een ander boek over de Drie Dames uit Duitsland. De Matronen en Nehalennia, Moedergodinnen uit de vaderlandse geschiedenis. Annine is oprichtster en voorzitter van Academie PanSophia, school van Wijsheid in de 21e eeuw. www.academiepansophia.nl

 

Geplaatst in Divine Feminine, Divine Women, Godinnen, Het vrouwelijk goddelijke | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Siberische Venusfigurines, wel of geen Venussen?

Vrijdagochtend 19 februari j.l. las ik vluchtig het artikel in The Siberian Times, getiteld World famous ancient Siberian Venus figurines ‘are NOT Venuses after all’. (klik hier voor het artikel) Omdat ik college moest geven, kon ik me er niet volledig in verdiepen en heb ik het doorgestuurd naar godsdiensthistoricus dr. Annine van der Meer, zij is specialist bij uitstek in Venuskunst. Ik was heel benieuwd naar haar mening over het artikel in The Siberian Times. De volgende dag hebben we elkaar gesproken en ik ben heel blij dat zij haar reactie op schrift heeft willen zetten. Hieronder zal ik haar volledige uiteenzetting, inclusief links en afbeeldingen, citeren. Een link naar de Engelse vertaling van haar reactie staat onderaan dit bericht. Reageren kan, graag zelfs, via het reactieveld.

De boeken van Annine van der Meer zijn te bestellen bij PanSophia Press.

Karin Haanappel
21 februari 2016

Siberische Venusfigurines, wel of geen Venussen?

Siberian Venus figurines

Op vrijdag 19 februari 2016 werd ik blij verrast door een artikel met prachtige paginagrote gedetailleerde foto’s van diverse kleine Venussen uit Siberië.  Het artikel waarin de foto’s waren opgenomen, was op donderdag 18 februari 2016 via internet te lezen in de Siberian Times en baarde direct al veel opzien. De prikkelende titel luidde: World famous Siberian Venusfigurines ‘are NOT Venuses after all’. Deze uitdagende anti-Venus stellingname moest nader onderzocht worden en in dit artikel geef ik een eerste reactie. Siberische Venussen  werden eerder door mij in beeld gebracht en beschreven in mijn boeken Venus is geen Vamp afgekort VIGV (2009, 70-76 87 92 95) en The Language of MA the primal mother afgekort LOMA (2013, 80-85 88 96-97 100).

Het nieuwe onderzoek. De schrijfster van het artikel is Olga Gertcyk. Zij baseert zich voor haar bewering op een interview met  onderzoekster dr. Lyudmila Lbova. Samen met hoofdonderzoeker dr. Pavel Volkov werkt zij aan het Instituut voor Archaeologie en Etnografie, dat deel uitmaakt van de Siberische tak van de Russisiche Academie voor Wetenschappen. Het onderzoek is uitgevoerd door het laboratorium voor de ‘Interdisciplinaire Studie voor Primitieve kunst in Eurazië’. Dit lab is een gezamenlijk project van de staatsuniversiteit van Novosibirsk en de universiteit van Bordeaux.

De hoofdstelling luidt dat de Siberische collectie van Venusfigurines in feite niets meer of niets minder is dan een ‘modeshow’ (fashion show) van gewone mensen van alle leeftijden van 20.000 jaar geleden. Het recente onderzoek zou opvallend nieuw licht (striking new light) werpen op het feit dat ‘alle figurines’ niet naakt maar min of meer gekleed zijn (not naked but more or less dressed). Nieuw microscopisch onderzoek brengt armbanden, hoofdbedekking, decoraties, schoenen, tassen en zelfs in één geval een rugzak aan het licht. Volgens de onderzoekers betekent dit dat het om reële en realistisch uitgevoerde mensen van 20.000 jaar geleden gaat.

Daarnaast zouden niet alle figurines van vrouwelijke kunne zijn, er zouden zelfs ook kinderen en teenagers (!) te zien zijn van zowel het mannelijk als vrouwelijk geslacht (Besides not all of the figurines show women: there are also children, teenagers both male and female).

Nu wordt duidelijk waarom de uitdagende titel luidt: World famous Siberian Venusfigurines ‘are NOT Venuses after all’. Die Venusfigurines van het vrouwelijk geslacht zijn gewone  geklede vrouwen en de rest bestaat uit geklede kinderen en teenagers.

De Nieuwe Archeologie onderzoekt de buitenkant. Wat geweldig dat er nieuw gedetailleerd onderzoek wordt gedaan naar Siberische Venusfigurines. Alleen: het gaat mis bij de interpretatie. Wanneer je iets onder de microscoop legt en details uitvergroot, loop je het risico te veel uit te vergroten en je in de details van de buitenkant te verliezen en dus de grote lijn mis te lopen. Dat is wat hier gebeurt.

Voor mij staat als een paal boven water dat de Russische onderzoekers ter elfder ure in de ban zijn geraakt van de Nieuwe Archeologie, die in het westen hier en daar al weer op zijn retour lijkt, maar die mét het filosofisch materialisme nog steeds hoogtijd viert op universiteiten en musea.

Hoe populair de Nieuwe Archeologie nog steeds is, kwam opnieuw pijnlijk naar voren op de grote overzichtstentoonstelling van Venusfigurines, waaronder die uit Siberië, in het British Museum te London in 2013. De wereld liep te hoop om de Venusfigurines uit allerlei windstreken nu eenmalig samen te kunnen aanschouwen. Uit beschrijvingen van de kunst en uit de door haar geschreven catalogus bleek dat conservator dr. Jill Cook afstand had gedaan van de overbekende ‘erotische’ interpretatie van Venus als seksbom. Desondanks prijkt de Venus van Willendorf in haar catalogus over de volle twee pagina’s naast een volumineuze, gebakjes etende, koopmansvrouw (1918) wier omvang volgens Cook’s bijschrift haar sexuele potentieel ‘insinueert’. De tweede pagina wordt in beslag genomen door een enorm modern schilderij van 228.6 bij 121.13  cm van een wanstaltig dikke slapende vrouw uit 1996. Cook spreekt van een ‘celebration of flesh and femininity without idealism, reminiscent of the physical ease of the Willendorf sculpture’ (een viering van vlees en vrouwelijkheid zonder idealisme, die doet herinneren aan het lichaam van de Willendorf-sculptuur). Cook noemt haar figurines consequent ‘vrouwen’ en weigert zelfs ook het woord Venusfigurine in de mond te nemen; iets dat in Siberië nog anders ligt want hier spreekt men nog steeds van Venusfigurines. Bij Cook dus geen ‘Venus van Willendorf’ maar de ‘vrouw van Willendorf’.

venus ice age art

Jill Cook heeft zich ‘bekeerd’ tot de school van de Nieuwe Archeologie, die vanaf 1960 groot is gemaakt door Peter Ucko, Ian Hodder, Lynn Meskell e.a. Op de tentoonstelling heb ik de Siberische figurines voor het eerst aanschouwd. Ik was tot in het hart geraakt door hun schoonheid. Tegelijk was ik ook ernstig ontstemd over de wijze waarop zij ge-intepreteerd werden. Van te voren had ik al met Cook gecorrespondeerd; bij thuiskomst schreef ik een uitgebreid verslag van mijn bevindingen (klik hier voor het artikel).

Het onvermogen van de Nieuwe Archeologie. In de Nieuwe Archeologie, een vanaf de jaren 60 tot aan de dag van vandaag uiterst populaire richting binnen de archeologie, bekijkt men de figurines van de buitenkant, men meet, men weegt, men bekijkt elke inkeping, elk detail. Men geeft talloze interpretatie-mogelijkheden, ridiculiseert ze vervolgens om dan tot slot het zogenaamd zekere voor het onzekere te kiezen en te stellen dat de werkelijke betekenis niet te achterhalen is. Zo ook dr. Lyudmila Lbova in het artikel: ‘There were many attempts to understand the idea of these figurines, and their symbolism… And there were many interpretations. We decided to pay more attention to some material things, to study the surface, to understand how these figurines were made’. Hier zie je dus de Nieuwe Archeologie om de hoek komen kijken: het is meten en wegen en zich daarna tegen iedere symbolische interpretatie kanten.

Dat maakt Lbova verderop duidelijk wanneer zij stelt: ‘What we can say for sure is that these realistic details of clothes, accessories, hairstyle clearly show that ancient masters made the figurines of some real people, maybe their relatives. I strongly doubt that these were the images of abstract goddesses or spirits in the sense often used to understand so-called Venus depictions. Hier zie je duidelijk dat zij de symbolisch-spirituele benadering afwijst. Het moet gaan om ‘gewone mensen’ (LOMA 41 70).

De Nieuwe Archeologie maakt van Venussen gewone ‘mensen’. Maar gaat het wel om gewone vrouwen en mensen? Vele Venusfigurines zijn rubensachtig vol en kenmerken zich door de drie B’s. Ze tonen: dikke Borsten, een dikke Buik en wanstaltig grote Billen met een sterk naar achter uitstekend achterwerk. Zien gewone mensen er zo uit? Nee dus.

De Nieuwe Archeologie moet zich vervolgens in allerlei bochten wringen om te verklaren waarom die zogenaamde ‘gewone’ vrouwen uit de prehistorie zo dik zijn. Dan volgen  interpretaties als:

  1. ze zijn hoogzwanger en daarom dik
  2. zij zijn ziekelijk dik en lijden aan obesitas
  3. zij lopen niet rond en nomadiseren niet, maar blijven gedurende een bepaalde periode van het jaar op een plaats en eten daar te veel (semi-sedentair)
  4. ze lijden aan een bepaalde ziekte, zij zijn ziek.

Al deze interpretaties tref je in de gerenomeerde Cook-catalogus uit 2013 aan. Direct al kwam er op de website van het British Musuem kritiek op het feit dat zij de figurines ‘obese’ noemde, ziekelijk dik en sprak van een ‘pathology’. Dit terwijl er ook in haar catalogus staat dat de mensen in de prehistorie rank en slank zijn en zeker niet rubensachtig dik. Ze moeten immers veel lopen (Cook met verw. naar Erik Trinkaus, 67). Bovendien lopen ze in de IJstijd niet naakt zoals de volle Venussen doen (Cook, 119-120 geeft diverse voorbeelden). Daarbij dragen ze enkele ceremoniële kledingstukken op het naakte lichaam: een hoofdbedekking, heupgordel, sieraden en een grasstaart. In graven vonden wij volledig aangeklede skeletten van mensen uit die tijd. Het bewijs is geleverd: in de IJstijd lopen de vrouwen niet naakt en de gewone vrouwen zijn zeker niet dik. Mevrouw Cook spreekt zich in haar eigen catalogus tegen alleen omdat zij blijft volhouden dat het om gewone vrouwen gaat. Onderlinge symboolovereenkomsten die zich over lange afstanden voordoen, zijn naar haar idee louter toeval.

Wat valt er tegen de argumenten van de Nieuwe Archeologie in te brengen? Wat is Venuskunst voor mij?

Wat is Venuskunst? Venuskunst is sacrale voor-christelijke voornamelijk vrouwelijke kunst van natuurvolken die te maken heeft met leven, dood en wedergeboorte (VIGV 50; LOMA 45-248). De levengevende vrouwelijke organen als de vulva met baarmoeder, billen, buik en borsten worden vaak uitvergroot en juist niet realistisch weergegeven; dit is internationaal een kenmerk van voorouderkunst. Onderzoek bij moderne natuurvolken toont aan: Venuskunst is multifunctioneel en dient ook praktische doeleinden. Het kan gaan om voorlichtingsmateriaal aan jongeren of morele steun bij zwangerschap. Maar in eerste instantie heeft de sacrale kunst een symbolische betekenis en dient een spiritueel doel. Dit is moeilijk te begrijpen voor westerlingen die ver van de natuur zijn af komen te staan.kaart verspreidingsgebied venuskunst

De as van de vrouwelijke iconografie. In de Oude Steentijd is bij natuurvolken als de jagers-verzamelaarsculturen opvallend veel vrouwelijke kunst (Venuskunst) teruggevonden; de as loopt van Frankrijk en Duitsland in West-Europa over Centraal-Europa en Rusland tot in diep in Siberië (VIGV 68-76 LOMA 74-84). De vrouwelijke kunst toont twee hoofdtypen: het volle en het slanke type; het volle rubensachtige type van de soms zwangere maar ook vaak oudere vrouw komt vaker in beeld dan het slanke.

Siberian Venus figurines 2

Venuskunst in Siberië. Eerder onderzoek leerde mij dat er in Mal’ta in Siberië 31 Venussen zijn opgegraven waarvan 21 volledige figurines. Bij deze groep is er de in het artikel genoemde tweedeling tussen voller en slanker. De eerste grote foto toont dit onderscheid heel duidelijk. De volle groep is wat kleiner van stuk dan de stokachtige en meet tussen de 4 en 4,5 cm terwijl de stokachtige stijve groep een gemiddelde lengte heeft van 9 cm. In Buret zijn 5 Venusfigurines gevonden, waaronder een slanke met halve maan inscripties van 12.2 cm, hier boven op de linkerfoto afgebeeld.

inside_close_hipinside_red_background

Zeven Siberische Venusfigurines zouden half-zittend zijn afgebeeld. Soms liggen de handen in een sacrale houding op de buik (zie hierboven, links). Soms bolt de buik op. Vaak is de Venusheuvel aangegeven met een V. Ik zie op de in het artikel gepresenteerde foto’s hier en daar bij het vollere type een geprononceerd achterwerk. (zie hierboven, rechts) Dit symboolkenmerk wordt steatopygie genoemd en komt veelvuldig bij de Venussen verspreid over de as van de vrouwelijke iconografie voor.

Bij 17 figurines valt een soort ronde muts of kap om het hoofd. Die mutsen zie ik ook op de foto’s duidelijk in beeld komen; mogelijk zijn het overalls of parka’s. Ronde mutsen komen over de hele as van de vrouwelijke iconografie terug, b.v. ook bij de Venussen van Gagarino uit de Oekraïne, hier linksonder die een opvallende overeenkomst vertonen met de Venus van Willendorf uit Oostenrijk, hier rechtsonder (VIGV 73; LOMA 83).

tekening venusbeeldjes

Overigens: dat sommige Venussen van Mal’ta kledingstukken zoals b.v. een overal of parka aan hebben, is niet nieuw, het is al veel eerder gesuggereerd (VIGV 74; LOMA 84). Nieuw is dat het gewone mensen zijn waaronder kinderen en teenagers. 

Veel Venuskunst in Rusland. Omdat er in Rusland buiten Siberië ook in de Oekraïne zoveel Venuskunst is opgegraven (25 Venusfigurines in Kostienki, 4 in Avdeevo en 12 in Gagarino), leeft er hier een grote belangstelling voor deze kunst. Het zijn de archeologen Zoia Abramova in 1960 en Mariana Gvozdover in 1989 die als eersten de aandacht vestigen op decoraties en bepaalde symbolen (LOMA 94).

In de VS is het Elisabeth Barber die in 1991 en 1994 de Venuskunst op decoraties en kledingstukken onderzoekt; zij voert als eerste aan dat vrouwen kundig zijn met naald en draad en daarom aan de wieg staan van de belangrijke innovatie die zij de ‘draadrevolutie’ noemt (VIGV 86; LOMA 94).

Later borduurt Olga Soffer op deze weg door (2007, 2008; VIGV 86 94; LOMA 70 94). Het moeten belangrijke vrouwen zijn geweest die op het vaak naakte lichaam bepaalde ceremoniële kledingstukken dragen. Hebben ze gedanst, terwijl ze rituelen uitvoeren? Zijn het vroedvrouwen en sjamanes, zijn het de leidsvrouwen van de stam, zo vragen Barbara Tedlock en Jayne Redmond zich af? (Tedlock, 2005, VIGV 96; LOMA 103) (Redmond, 1997, VIGV 97; LOMA 104)?

De klassiek-Russische interpretatie. Na decennia-lang onderzoek waagt de inmiddels beroemde archeologe Zoia Abramova zich in 1995 aan een interpretatie. Ze betoogt dat volle Venusfigurines de levengevende krachten van het vrouwelijke symboliseren. Zij stelt vast dat de Venussen in bepaalde sacrale lichaams- en armhoudingen staan, die juist het sacrale van de kunst benadrukken en internationaal voorkomen. Maskers sieren de kleine gezichten en benadrukken in haar visie het rituele en sacrale karakter van de Russische en de internationale Venuskunst. De rubensachtige volle Venussen symboliseren de volle vruchtbaarheidskracht van het vrouwelijke, het vermogen leven te geven, het te voeden en te onderhouden.  Zij gaat zelfs zo ver te stellen dat de volle oermoederkunst de energie van de vitale vrouwelijke levenskracht, de grote Yin-kracht of Grote Moeder manifesteert (LOMA 71).

De interpretatie van het slanke type. Volgens Harald Floss (2010) en Harald Haarmann (2009) vertegenwoordigen de abstracte, stijve en stokachtige figurines de vooroudergeesten die bij de haard aanwezig zijn (LOMA 71-72 n 95). Harald Haarmann voert daarbij aan dat bij de Tungus in de Altai deze stokachtige figurines nog steeds beschermende vooroudergeesten voorstellen (LOMA 83 n 150). Tot op de dag van vandaag leven in Siberië natuurvolken die vrouwelijke Venusfigurines maken, zoals de Ket in Siberië (LOMA 247 n 24). Esther Jacobson noemt naast de Tungus ook de Evenki, de Chukchee (1993, LOMA 247 n 20). De Ket kerven alleen vrouwenvormen uit; zij hechten dus bijzonder veel waarde aan de overleden voormoeder en dat zelfs in patriachale tijden. Het uitsnijden van beeldjes in rubensachtige of stijve vormen gebeurt ook bij talloze andere natuurvolken elders in de wereld in andere klimaatzones (LOMA 248).

De vindplaats. In het interview stelt dr. Lyudmila Lbova: ‘All the figurines were found within the living facilities of ancient settlements, some of them even in ritual places in the home: they were covered with mammoth scapula bone or sprinkled with ocher.’ Met andere woorden: de figurines hebben dus een rituele functie, bij de haard zijn het zielen van voorouders of overleden kinderen.

Kinderspeelgoed? Sommige onderzoekers, die geen benul hebben van de functie en symbolische betekenis van Venuskunst voor natuurvolken, benoemen deze slanke figurines als ‘kinderspeelgoed’ en spreken van een soort ‘popjes’. Anderen, vaak zijn het geen archeologen maar antropologen, zijn in staat zich beter in te leven in de leefwereld van natuurvolken. Zij spreken met Haarmann van ‘zielehuizen’ voor de overleden voorouders, vaak voormoeders, die huis en haard beschermen en zich tussen de werelden van levenden en doden heen en weer bewegen (LOMA 247 n 20-23).

De symbolische betekenis. Ook mijn eigen onderzoek wijst uit dat Venuskunst twee kanten van dezelfde medaille toont: de levengevende volle kant en als keerzijde de zielekant die eruit ziet een onvleesd lichaam of stokachtig skelet. Die symbolische doodskant wijst altijd in de richting van het voorleven van de ziel na de dood en de incarnatie van de voorouderziel in een nieuw moederlichaam. Dood is dus niet echt dood.

Ik heb hier veel over geleerd van de internationaal bekende archeologe prof. dr. Maria Gimbutas, die vanaf de jaren 60 actief is en vele boeken en artikelen schreef (1991). Zij onderkent soms  twee aspecten bij Venuskunst namelijk ‘genererend-regenererend’ en soms drie namelijk: ‘levengevend-levennemend-nieuw levengevend’ (VIGV dl 1 h 7; LOMA dl 1 h 7).

Ook James Mellaart die onderzoek deed in Anatolië in de 60er jaren zat op deze lijn. Hun onderzoek met die specifieke nadruk op het symbolische karakter van de Venuskunst heeft een enorme impact op de archeologie van na de tweede wereldoorlog. Vanaf 1960 komt er als reactie op hun baanbrekende en vernieuwende inzichten een vloedgolf van kritiek op hun interpetatie. De tijd breekt aan voor de kritische school die iedere zweem van romantiseren of zweven wil vermijden en zo met het badwater ook het kind dreigt weg te gooien. De richting van Nieuwe Archeologie neemt een hoge vlucht, die Gimbutas, Mellaart en anderen in de ban zal doen en zal verguizen.

Antrolopologen die vaak veldwerk bij moderne natuurvolken deden en doen, kunsthistorici, archeologen en symbooldeskundigen zien dit in de 21e eeuw anders. Zij zijn meer geporteerd  voor de symbolische interpretatie. Het is tijd voor een geïntegreerde benadering waarin allerlei disciplines, ook die der psychologie bij de interpretatie van Venuskunst meedoen.

De symbolische antropologie. Een enkel voorbeeld om aan te geven hoe de archeologe Jill Cook in haar Londonse catalogus omgaat met modern antrologisch onderzoek. Zij noemt het onderzoek van de etnologe Sandra Sazelová in arctische culturen uit 2008 en beschrijft het als volgt. Vrouwen zorgen hier voor de haard en onderhouden de heilige voorwerpen van ieder huishouden. Zij worden meer dan de mannen gezien als experts in formules en incantaties. Hun dagelijks leven is een pact met de geesten, wier beeltenis soms wordt gedragen als hanger of in een zakje wordt meegedragen. Zij zorgen voor de communicatie met de geesten, die op hun beurt de gemeenschap beschermen. Als er in de familie geen vrouw is, dan wordt het huis ontmanteld en worden de heilige voorwerpen verborgen  (Jill Cook, Ice Age Art, 2013, 107 n 45).

Jill Cook stelt hierna: of deze voorwerpen nu werkelijke of symbolische wezens zijn, de vrouwelijke figuren hadden waarschijnlijk een belangrijke occulte of sjamanistische functie die belangrijk was voor de familie.

Daarna komt de ijskoude aap uit de mouw: Het is echter niet mogelijk dat deze gegevens uit de huidige antropologie als bewijs kunnen gelden voor de leefwereld van jagers-verzamelaars uit de IJstijd (Ice Age Art, 107).

Nu zijn we weer terug bij af. Opnieuw blijkt dat de Nieuwe Archeologie maar één verklaring wenst te geven: het zijn gewone mensen en meer kunnen we niet weten. Echter… dat antwoord wordt ingegeven doordat men vanuit een vooringenomen standpunt van ‘het zijn gewone mensen’ naar de Venuskunst blijft kijken en al het bewijsmateriaal van de symbolische antrolopogie en de dieptepsychologie negeert omdat het niet ‘hard’ genoeg is. Het is buitengewoon jammer dat de huidige Russische archeologen oudere interpretaties verlaten en hun toevlucht nemen tot westerse modieuze varianten die ingegeven zijn door het filosofisch materialisme en al weer op hun retour lijken.

Dr. Annine van der Meer, 21 februari 2016

ps. hier nog mijn reactie in cursief op sommige passages uit het artikel:

New groundbreaking research shows that a celebrated collection of prehistoric Venus figurines are – in fact – a fashion show of ordinary people of all ages from some 20,000 years ago.

In the Language of MA p. 84 staat duidelijk dat talloze Venusfigurines uit Mal’ta and Dyukhtai kleding, parka’s, dragen. Dat is al lang bekend en er is niets nieuws onder de zon. Maar het punt is dat dit, zelfs met of zonder kleding, sacrale ‘kunst’ is, die geen gewone mensen afbeeldt.

Close microscopic inspection reveals them as being far from idealised female forms. Picture: Hermitage Museum.

Onderzoek maakt duidelijk dat wij met een semi-realistische groep en een semi-abstracte groep te maken hebben en niet met geïdealiseerde Venus-vormen. (zie verder)

And a striking new light has been cast on the Mal’ta and Buret figurines – found from the 1920s to the 1950s by the Angara River close to Lake Baikal in modern-day Irkutsk region. Notably, the research disputes the widely-held believe that some of the figures are nude.

Onjuist, dat sommige figurines gedecoreerd en wellicht gekleed waren, was al langer bekend

‘There were many attempts to understand the idea of these figurines, and their symbolism,’ she said. ‘And there were many interpretations. We decided to pay more attention to some material things, to study the surface, to understand how these figurines were made.

Hier zie je de Nieuwe Archeologie om de hoek komen kijken. Meten, wegen en buitenkant, niet de symbolische interpretatie.

Yet the most unexpected result was that we saw traces on the surface of the figurines that were not spotted earlier, as they are not visible to the naked eye, due to the ravages of time. These traces showed more details of clothes than we had seen previously: bracelets, hats, shoes, bags and even back packs.’

Het is geweldig dat zij nu echt microscopisch onderzoek doen: ‘bracelets, hats, shoes, bags and even back packs.’ Dat zie je soms ook bij andere (naakte) Venusfigurines, hoofdbedekking, armbanden, gordels om de buik etc. (alleen geen schoenen en een rugzak).

This approach allowed us to reveal many interesting new details and review some ideas about these sculptures,’ she said. ‘Previously, there had been different approaches to the classification of these figurines, but the basic was a division into ‘dressed’ and ‘naked’.

Onderzoek maakt duidelijk dat wij met een semi-realistische rubensachtige groep en een semi-abstracte (slanke en stokachtige) groep te maken hebben. Het zijn twee kanten van een medaille, zo lijkt het…levengevend en levennemend, dood. Het stokachtige kan zelfs de ziel zijn, die men uitbeeldt, zonder het lichaam. Soms wordt de ziel weergegeven in de vorm van een geraamte of klein ingebakerd kind.

Our research showed that all of them are more or less ‘dressed’. We saw the different types of hats, hairstyles, shoes and accessories, which were depicted with thin lines. (accessoires zijn nog geen kleding, de figurines kunnen altijd nog naakt zijn, Andere Venusfigurines dragen ook accessoires op het naakte lichaam), The ancient masters used different techniques to highlight the different materials – fur, leather, and decorations.

On the figurines ‘we can also see the bags and in one case a traditional back pack with two straps. ‘The figurine is probably showing a teenager. It has not so much detail, and it is not clear if this is male or female, yet the proportions of bodies show that this is definitely a teenager.

Het idee dat dit echte kinderen of teenagers zijn vind ik absurd. Het strakke en smalle is geen realistische kunst, het is het doodsaspect en het doorleven van de ziel in symbolisch opzicht.

All the figurines were found within the living facilities of ancient settlements, some of them even in ritual places in the home: they were covered with mammoth scapula bone or sprinkled with ocher.’

Ze hebben dus een rituele functie, bij de haard zijn het zielen van voorouders of overleden kinderen.

So why did the ancient people make these figurines? ‘There is no clear answer as to the purpose,’ she said. There can be a lot of allegations, but no one gives irrefragable answer.

Ze waren multifunctioneel, maar dat ze het niet weten is het eeuwige antwoord van de Nieuwe Archeologie.

What we can say for sure is that these realistic details of clothes, accessories, hairstyle clearly show that ancient masters made the figurines of some real people, maybe their relatives (ws hun overleden relatives) I strongly doubt that these were the images of abstract goddesses or spirits’ in the sense often used to understand so-called Venus depictions. Hier zie je dat zij de symbolisch-spirituele benadering afwijst, zie LOMA p. 41 en 70.

Some of the figurines are just work pieces, to the finished works.’ In other words, they are prototypes and ‘this allowed us to reconstruct all the steps in their creation.

Kan wel waar zijn, maar het zijn semi-abstracte vormen met een symbolische betekenis. Sommigen staan in de rituele houdingen van het goddelijk vrouwelijke, dan doen gewone vrouwen niet.

Besides not all of the figurines show women: there are also children, teenagers both male and female. Of course, after getting some answers, we now have a lot of new questions.

Bij die laatste foto zie ik rode oker juist bij de vruchtbare delen van de vrouw. Ik zie bij de stokachtigen ook veel parka’s met doodsgezichten, of doodsmaskers.

Annine van der Meer, 20 februari 2016.

English Reaction on Siberian Venus figurines: English-Reaction-on-Siberian-Venus-figurines-of-dr-Annine-van-der-Meer-with-pictures

Geplaatst in Divine Feminine, Divine Women, Herstory of Art, Het vrouwelijk goddelijke, Sjamanisme, Venuskunst | Tags: , , , | 1 reactie

Oogkleppen af bij het wroeten in de bijbelse aarde bij Adama – een ingezonden brief naar TROUW door dr. Annine van der Meer

Ingezonden brief

Oogkleppen af bij het wroeten in de bijbelse aarde bij Adama

Verheugd trof ik in TROUW van di 29 december 2015 een twee pagina groot artikel met diverse foto’s en veel info aan over de ontdekkingen van het opgravingsteam van het RMO in Adama in de Jordaanvallei in Israël.  Maar die vreugde bekoelde toen ik in de tweede kolom las dat het team bij het ‘wroeten in de bijbelse aarde’ ook veel ‘figurientjes’ had aangetroffen. Ik citeer: ‘figurientjes, dat zijn kleibeeldjes om bescherming te vragen of boze geesten af te weren’.

Er wordt een verkleinwoord gebruikt, er wordt een link gelegd met zwarte magie en bijgeloof en er wordt niet gemeld dat de beeldjes vrouwelijk zijn.  Vervolgens worden er zelfs een foto gewaagd aan twee van deze ‘figurientjes’.  Links naast de foto’s staat het volgende bijschrift:  ‘Deze figurines werden gebruikt om boze geesten af te weren’.

asjera Trouw

Beide afgebeelde goddelijke dames staan naar mijn mening in oeroude sacrale houdingen waarin men het goddelijk vrouwelijke in Israël sinds 10.000 v. Chr. veelvuldig aantreft. Belangrijke publicaties van de ‘Zwitserse school’ onder aanvoering van prof. dr. Othmar Keel en prof.dr. Silvia Schroer uit 2004 en 2008 hebben aangetoond dat de veelal vrouwelijke, kleine, goedkope en met de vrouwenhand gemaakte kleibeeldjes multifunctioneel zijn geweest. De linker afgebeelde vrouwelijke figurine in TROUW is naakt, staat met gespreide benen in barende houding en omvat beide blote borsten in een gebaar van zegening en voeding. Het tonen van volle blote borsten is een houding waarin we de godin Asjera van Israël vaak aantreffen. De rechter betreft een pilaarfigurine van een geklede en gesluierde Vrouwe, mogelijk een priesteres van Asjera. Ze houdt in haar handen een tamboerijn vast, om op het ritme daarvan in de tempel te dansen. Die tamboerijn kan ook een in de tempel gebakken sacrale koek, cake of sacraal brood zijn.

De offeraarsters van de ‘figurientjes’ eren Asjera, de moeder en partner van Jahwe, die met name door de vrouwen in de tijd voor de ballingschap in de 6e eeuw v Chr. zeer geëerd wordt. Ze wordt in allerlei situaties door hen aangeroepen: bij bepaalde standen van de maan, bij menstruatie, bij de wisseling der seizoenen, bij geboorte, ziekte, dood en de voorouderverering. Vrouwelijke figurines komen veelvuldig voor in de tijd voor de Babylonische ballingschap tot in de 6e eeuw v. Chr. Daarna volgt er een beeldverbod en mogen – wat een tegenslag voor de vrouwen – geen beelden meer worden gemaakt, ook niet van de Moedergodin Asjera. Het pluriforme Jahwisme ontwikkelt zich vanaf de 6e eeuw v. Chr. in monotheïstische zin waarbij andere goden en met name de zo geliefde Grote Moeder en Moedergodin Asjera worden buiten gesloten.

Religious Diversity in Ancient Israël and Judah

In Engeland is er onder theologen nieuwe belangstelling voor de periode in Oud-Israël van voor de ballingschap, en juist die periode uit de IJzertijd van 1200-550 v. Chr. onderzoekt het RMO-team in Adama. Onlangs kwam hier uit de bundel:‘Religious Diversity in Ancient Israël and Judah’ ( 2010), een boek dat inmiddels al twee herdrukken heeft beleefd. Op de cover prijken drie Asjera-pilaarfigurines. Hierin wordt Asjera als Moedergodin en staand in verbinding met de Koningin-Moeder gerehabiliteerd. Zij wordt ontdaan van bijgeloof en zwarte magie. Ons land kent, getuige de bundel uit 1998 ‘Één God alleen…?,  ook diverse theologen die dit spoor volgen. Asjera wordt internationaal en ook in Nederland in wetenschappelijke kring gerehabiliteerd. Het is jammer dat deze nieuwe zienswijze van theologen, kunsthistorici en godin-onderzoekers niet doorklinkt in de conventionele en gedateerde 20e eeuwse beschrijving van de archeologische ontdekkingen van het RMO én de berichtgeving in TROUW. Heren archeologen, doe uw oogkleppen af en sta open voor nieuwe ontwikkelingen buiten uw vakgebied.  Wroeten en ploeteren wordt dan schatgraven!

Honselersdijk, Dr. Annine E. G. van der Meer, auteur en onderzoeker, 03.01.2016.

NB. Op 9 april 2016 organiseert Academie PanSophie een studiedag over Asjera. Voor meer informatie, klik hier.

 

 

Geplaatst in Divine Feminine, Divine Women, Godinnen, Het vrouwelijk goddelijke, Venuskunst | Tags: , , , , | 3 reacties

De heilige Cunera en haar pre-christelijke oorsprong

In Museum het Catharijneconvent in Utrecht bevindt zich de wurgdoek van de heilige Cunera. Het betreft een linnen doek (157 x 67 cm) die versierd is met lussen van vlas. De doek dateert uit de eerste helft van de vierde eeuw en de weefmethode doet sterk denken aan die van de Kopten uit Egypte. Dit soort doeken werden gebruikt als halsdoek of omslagdoek door vrouwen in de vierde en vijfde eeuw.

1.-Wurgdoek-van-Cunera-Koptisch-ca.-350-Museum-Catharijneconvent Wurgdoek van Cunera, ca. 350.

De wurgdoek is afkomstig uit de Cunerakerk in Rhenen en sinds 1972 in bezit van het Catharijneconvent. De doek is zeer kwetsbaar en ligt normaal gesproken onder klimatologische omstandigheden in het depot en kan daardoor zelden tentoongesteld worden, maar vanaf 12 juni t/m 30 augustus 2015 is de doek te zien in de topstukken zaal. De halsdoek wordt speciaal uit het depot gehaald ter gelegenheid van de presentatie van een stripboek over Cunera. Meer informatie over het stripboek, klik hier.

4.-Cover-stripboek-de-halsdoek-van-CuneraDe voorkant van het stripboek (2015).

Cunera staat bekend als de eerste, vrouwelijke heilige van Nederland en deze halsdoek is haar vaste attribuut. Het is de doek waarmee zij gewurgd zou zijn. Echter, niets is zeker met betrekking tot de authenticiteit van Cunera. Alle verhalen over haar spreken elkaar tegen en doen vermoeden dat we met een gekerstende figuur te maken hebben waarvan de oorsprong zich (nog) in nevelen hult.

Cunera-Rhenen-© Bernd Haanappel Fotografie Cunera (met halsdoek) in Rhenen

Een van de verhalen luidt dat Cunera een schotse prinses was die rond 340 op bedevaartstocht naar Rome ging en van haar ouders als afscheidscadeau een halsdoek meekreeg. Onderweg ontmoette ze Ursula en haar elfduizend maagden en voegde zich bij de groep. Volgens de legende zijn deze vrouwen op de terugweg bij Keulen overvallen door de Hunnen. Cunera weet te ontsnappen doordat zij gered wordt door de heer van Rhenen, die haar meeneemt naar zijn kasteel op de Grebbeberg. Cunera is geliefd bij de plaatselijke bevolking, vooral omdat zij zich het lot van de armen aantrekt. De echtgenote van de heer van Rhenen is echter niet zo blij met Cunera en laat haar wurgen met de halsdoek die Cunera altijd droeg. Ze wordt begraven in een paardenstal. Wanneer de heer van Rhenen deze moord ontdekt, laat hij Cunera herbegraven in een nabij gelegen heuvel die nog steeds bekend staat als het Cunerabergje.

Het verhaal gaat dat Willibrord het graf van Cunera laat opgraven. Bij de opening van het graf, ruim drie eeuwen later, blijken zowel het lichaam als de wurgdoek nog volledig in tact te zijn. Willibrord laat Cunera en haar doek overbrengen naar de Pieterskerk, die vanaf dat moment gewijd wordt aan Cunera, en verklaart haar heilig. Haar heiligendag wordt gevierd op 12 juni en ze wordt eeuwenlang aangeroepen bij keelaandoeningen en veeziekten.

Zoals ik hierboven al schreef, is Cunera waarschijnlijk een gekerstende figuur en heeft zij een pre-christelijke oorsprong. Haar naam is Germaans en houdt verband met de ‘poort-des-levens’, zoals nog in het Nederlandse ‘kunne’, het Latijnse ‘cunnus’ en het Engelse ‘cunt’ te herkennen is. Ze is naar alle waarschijnlijkheid een plaatselijke vorm van Moeder Aarde – Zij die vruchtbaarheid en overvloed schenkt. Haar heiligdom was de plek die wij nu kennen als Grebbeberg. Wanneer je vanaf de Betuwe naar deze heuvel kijkt, steekt deze als een suggestieve, liggende vrouw boven het water uit: sacraal landschap! Zie het boek ‘The Earth, The Temple and The Gods. Greek Sacred Architecture’ (1979) van architectuurhistoricus Vincent Scully voor een heldere uiteenzetting van het begrip sacraal landschap. Hoewel hij zich in zijn boek beperkt tot Griekenland geeft hij duidelijk aan dat het een universeel thema is. Hij verklaart hoe heilige plekken in het landschap vereerd werden alvorens er tempels gebouwd werden. We weten allemaal hoe het vrouwelijk goddelijke in christelijke tijden haar weg heeft gevonden in Maria en talrijke heiligen.

Grebbeberg_vanuit_de_Betuwe De Grebbeberg vanaf de Betuwe gezien

De Grebbeberg was oorspronkelijk bedekt met plantages van eikenhakhout. Doordat er geen plantages meer zijn, heeft zich een opgaand eikenbos kunnen ontwikkelen. Met name aan de rivierzijde heeft de Grebbeberg steile hellingen, die op sommige plaatsen op een klif lijken. Doordat deze kant van de Grebbeberg op het zuiden is gelegen, is er plaatselijke bijzonder flora waar te nemen, zoals de pijpbloem die eigenlijk in een mediterraan klimaat thuishoort.

Het spreekt voor zich dat de Grebbeberg er vandaag de dag anders uitziet dan ruim tweeduizend jaar geleden, toch wordt het de hoogste tijd dat we Cunera en haar mede heiligen ontdoen van hun gekerstende laagje vernis. Ook de heilige Ursula is linguïstisch gezien interessant omdat haar naam afgeleid is van het woord ‘beer’ (‘ursus’ in het Latijn) en daarmee doet denken aan de godin Artemis die met haar maagden door de wildernis trok.

© Karin Haanappel
1 juni 2015

 

 

Geplaatst in Heiligen, Het vrouwelijk goddelijke | Tags: , , , , , , | 9 reacties

De religie van de Etrusken door Selma Sevenhuijsen

Archeologie en politiek

 Lago di Bolsena © Selma Sevenhuijsen

De belangstelling voor de Etrusken is de laatste tijd weer opgeleefd, niet in het minst dankzij de twee tentoonstellingen in Leiden en Amsterdam. Samen met het tentoonstellingsboek ‘Etrusken. Vrouwen van aanzien, mannen met macht’ geven ze een rijk beeld van een aantal belangrijke vondsten van de afgelopen jaren. De Etrusken zijn allang niet meer het geheimzinnige volk waar ze ooit voor doorgingen, we weten nu veel meer over hun taal, hun dagelijks leven, de sociale verhoudingen en de geschiedenis van hun opkomt en ondergang. Op één punt echter schieten tentoonstelling en boek behoorlijk tekort, en dat is de religie: mijns inziens cruciaal om de Etruskische cultuur en geschiedenis goed te begrijpen.

De Etrusken waren een van de eerste culturen in Europa die een natiestaat vormden, bekend als het verbond van de 12 volkeren. Na de val van Troje arriveerde er in het huidige Toscane een clan uit Klein Azië, geleid door een priesterelite, bekend als Rasna of Thyrreno-Etrusken. In Italië vermengden zij zich met reeds bestaande culturen, maar brachten die ook op een hoger plan. Rond het jaar 1000 stichtten zij de Etruskische statenbond. Iedere streek kwam overeen met een van de twaalf tekens van de zodiak, en een van de twaalf maanden van het jaar: een projectie van het kosmisch wiel op aarde. Het centrum van dit wiel, het Meer van Bolsena, was de omphalos en de axis mundi van de Etruskische natie. Jaarlijks kwamen de twaalf priesterkoningen hier met hun gevolg bijeen voor gemeenschappelijke vieringen en overleg: de beroemde jaarfeesten gevierd in het Fanum Voltumnae. Juist hierover heersen onder Etruskologen een aantal hardnekkige misverstanden, die een goed begrip van de Etruskische cultuur in de weg staan. Het draait allemaal om de sekse van Voltumna, die algemeen wordt gezien als de belangrijkste Godheid van de Etrusken, en om de plaats en de aard van de aan haar gewijde jaarfeesten.

De verwarring is begonnen met het werk van Massimo Pallottini, die nog steeds doorgaat als de grondlegger van de Etruskologie in Italië. Volgens hem was Voltumna een god van een ‘onduidelijke sekse’, of een ‘biseksuele of androgyne’ god. Klassieke schrijvers wisten wel beter. In de Dictionaire van de Latijnse taal staat nog ‘Voltumna, ae, fem., beschermgodin van de federatie van twaalf Etruskische staten.’ Toch is Pallottini’s visie een eigen leven gaan leiden onder archeologen en Etruskologen, waarvan sommigen Voltumna vervolgens ook nog eens hebben veranderd in een mannelijke god (sic…). Het tentoonstellingsboek gooit heel veel verschillende dingen op één hoop door te stellen: ‘Voltumna, in het Latijn ook Vertumnus geheten, is waarschijnlijk een bijnaam van Tinia (Jupiter)’.

Hoe zat het dan wel? De Etrusken kenden, net als de meeste andere antieke religies, een goddelijk paar. De Godin stond onder verschillende namen bekend, waaronder Cel, Urcla, Turan en Nortia, alle verbonden aan de aarde, het water, het lot en het wiel van tijd. Later werd dit Voltumna, maar dat is al een verlatiniseerde versie van haar naam. In Rome en omgeving werd zij bekend als Fortuna, de draaister aan het wiel van tijd. De mannelijke helft van het paar stond bekend als Volth, Velth, Vertne, in Rome veranderd in Voltumnus of Vertumnus. De namen van beide godheden hebben dezelfde etymologische stam: ‘volt’, ‘vort’ of ‘vert’, dat verwijst naar het werkwoord ‘draaien’. We kunnen Voltumna en Velth  – zeker in de aanvang – dus beter zien als ‘krachten’ dan als gepersonifieerde godheden. Samen hielden zij het kosmisch wiel draaiende. Hij was de Etruskische versie van de jaargod, de god van de  vruchtbaarheid en het gewas, zij de verzinnebeelding van de oorspong van het leven: de aardegodin waar al het leven vandaan komt en naar terug gaat.  Samen  stonden zij garant voor de vruchtbaarheid van de aarde en het voortbestaan van het leven. In Rome werd het paar nog vereerd als Ianus en Fortuna, en ook als Pomonia en Vertumnus.

In de Etruskische stad Velzna stond een beroemde tempel van Nortia waarin met een spijker in de muur de tijdsrekening van de Etrusken werd bijgehouden. Het slaan van deze spijker was een belangrijk moment in de feesten van het Fanum Voltumnae. Sinds de negentiende eeuw zijn talloze archeologen gaan zoeken naar de plaats van het Fanum, volgens hen een tempel die ergens in de buurt van het meer moest zijn. Recentelijk claimen archeologen in Orvieto dat ze deze plek op het grondgebied van deze stad hebben gevonden, en het tentoonstellingsboek volgt hen daarin. Wat  daarbij over het hoofd wordt gezien is dat een Fanum iets anders is dan een templum. Een templum is inderdaad een gebouw, maar een Fanum verwijst naar een hele streek: een heilig woud, meer, bron of berg. Zo was er het Fanum Feroniae, het heilig woud van Feronia, onder de Monte Soratte, en het Fanum Dianae, het heilig woud van Diana, op de Monte Albano. Het zijn oeroude plekken in de natuur, al door antieke volkeren ver voor de Etruskische tijden als heilig vereerd. Plekken met een genius loci, de ziel van een plek, drager van heilige energieën. Door latere culturen werden ze (h)erkend en vereerd met altaren, heiligdommen, tempels en vieringen.

Daarom alleen al is het onaannemelijk dat Orvieto de plek van het Fanum Voltumnae was. De stad ligt op een steile, ontoegankelijke rots. Geen woud, meer of belangrijk water. Wel waarschijnlijk is dat er een aan Voltumna gewijde tempel was. Vele steden in Etrurië hadden een tempel voor deze belangrijkste Godheid van hun natie, zo bijvoorbeeld Volterra, Volturnum (Capua), Felsina (Bologna). Maar dat wil nog niet zeggen dat ze allemaal de locatie van het Fanum waren. Het Lago di Bolsena is daarentegen wel een geschikte kandidaat daarvoor. Het heeft alle natuurlijke kenmerken van een heilig woud: waterstromen, bossen en vruchtbare velden rondom, en twee vulkanische eilanden. Ver voor de Etrusken was het al een omphalos. Dat blijkt onder meer uit de resten van een antieke beschaving, die bij een aardbeving rond 900 v.C. onder het  water van het meer is verdwenen. In de vier hoeken van het meer stonden ooit vier grote tumuli: geen graven maar heiligdommen, gebouwd op heilige bronnen, en dus tekens van een oude religie van het water. Ze markeerden een verdeling van de streken rond het meer in vieren. De quaterniteit: een oud indelingsprincipe waar de Etrusken op voortbouwden door ieder kwart in drieën te verdelen = twaalf. Vandaar ook de oorspronkelijke naam Urcla voor de Etruskische Godin: de stam ur verwijst naar ‘water’, je komt dit nog steeds in veel namen van steden en streken rond het meer tegen.

Maar er is meer aan de hand. De stelling dat het Fanum in Orvieto was, wordt meetal onderbouwd met het argument dat dit de oude stad Volsinii was. De Romeinen zouden deze stad in 271 voor Christus hebben veroverd en de bevolking hebben getransporteerd naar een nieuw gebouwde stad Volsinii Novi, vlak boven het huidige Bolsena. Dezelfde Massimo Pallotini was de verkondiger van deze theorie. In de 50-er jaren toonde Raymond Bloch, een Franse archeoloog, echter aan dat er in Bolsena stadsmuren liggen uit de 5e eeuw v.C.  Na zijn vertrek veranderden Italiaanse archeologen de datering weer terug in de 3e eeuw v.C., alsof er daarvóórr niets bestaan mocht hebben, en alsof alles begon met de Romeinen. Onlangs echter publiceerde het voormalig hoofd van de archeologische dienst in Bolsena, Angelo Timperi, een boek waarin hij minutieus aantoont dat er boven Bolsena een of meerdere belangrijke tempels lagen uit de 6e eeuw v.C., bekend als de archaïsche periode, gewijd aan Etruskische goden, en dat er een stad lag, die vele malen groter was dan het huidige Bolsena.

Het verhaal over de verovering van Orvieto en het transport van de bevolking westwaarts klopt waarschijnlijk: een genocide uit de oudheid, zou ik zeggen. Maar dat wil nog niet zeggen dat Orvieto Volsinii was, of de plek van het Fanum… Alles wijst er op dat Bolsena het oude Volsinii was, bij de Etrusken bekend als Velzna. Bij de westpoort van het huidige Bolsena lag een grote tempel voor Norzia, waarschijnlijk de bewaarplaats van de spijker. Boven de huidige dom van S. Cristina lag een tempel met een grote zonneschijf, gewijd aan Aplu, de Etruskische versie van zonnegod Apollo. Op het Forum een tempel van Fufluns, de Etruskische Dionysos, als vruchtbaarheidgod verwant aan Velth. Aan de noordoevers van het meer lag een hele reeks tempels voor vrouwelijk godheden. De meest bekende waren gewijd aan Turan, de Etruskische liefdesgodin, die eveneens een sterke connectie had met het water en de aarde. Ze zijn verbonden door de Via Francigena, een christelijke pelgrimsroute naar Rome en verder, die langs het Lago di Bolsena komt, en voortborduurt op Etruskische pelgrimsroutes naar het meer. Onderweg naar het Fanum deden de Etruskische hogepriesters dit soort heiligdommen aan, zoals miljoenen pelgrims na hen hetzelfde deden.

In de heuvels en bossen rondom het Lago di Bolsena liggen nog talrijke resten van altaren en tempels verborgen, meest in sterk verwaarloosde staat. Je vraagt je af wie hier ooit nog eens zorg voor gaat dragen. Onlangs nog ontdekte een groep amateur archeologen uit San Lorenze Nuovo de resten van een grote tempel op de Monte Landro, een berg aan de noordzijde van het meer. De tempel kan blijkens hun vondsten een belangrijke plaats van verering van Voltumna zijn geweest. Archeologen uit Venetië begonnen vervolgens met graven, totdat alles werd stop gezet en weer dichtgegooid. Naar verluidt op gezag van de autoriteiten in Orvieto, die het niet goed uit zou komen als hun claim op Voltumna’s heiligdom zou worden ontkracht: er staan hier immers status en geld – en dus macht – op het spel. Het is niet de eerste keer dat in dit gebied archeologie en politiek op een ongehoorde manier worden vermengd. Inmiddels heb ik vele verhalen gehoord over opgravingen die werden stopgezet om onwelgevallige uitkomsten te voorkomen.

De sporen van Massimo Pallotino doen kennelijk nog steeds hun werk. Hij was het die Mussolini indertijd de argumenten leverde dat de Etruskische cultuur een ‘autochtone cultuur’ was, een oorsprongsverhaal dat de Duce goed uitkwam. Mussolini is allang dood, maar het verhaal is nog springlevend. Als iets mij nog steeds verbaast in dit land is dat er zo’n enorme kloof bestaat tussen de locale deskundigen en de staatsarcheologen. De eersten zijn bezig met minutieus onderzoek, gevoed door voeling met de locale geschiedenis en de talloze plekken in het landschap, stille getuigen van een oude cultuur. De tweeden zijn ongetwijfeld oprechte onderzoekers, maar zij worden in de waarheidsvinding belemmerd door hun verwevenheid met de politieke elites, die graag achterhaalde verhalen in stand houden omdat het hen beter uitkomt. Niet voor de eerste keer in de geschiedenis verdwijnt daarmee de aard van het vrouwelijk Goddelijke onder het tapijt. Vrouwen waren van aanzien in Etrurië, daarin kan ik mij verenigen met de tentoonstelling en het boek. Maar dat kwam omdat het ‘vrouwelijk principe’ centraal stond in de religie. Ook mannen ontleenden hun macht aan hun verbondenheid met hun godin Voltumna. Juist dat punt ontbreekt in de tentoonstelling: een gemiste kans.

Literatuur
Feo, G. (2011) La religione degli Etruschi. Divinità, miti e sopravvivenze. Arcidosso: Edizione Effigi.
Lulof, P. En I. Van Kampen ed (2011) Etrusken. Vrouwen van aanzien en mannen van macht. WBooks.
Timperi, A. (2011), Il Fanum Voltumnae a Bolsena. Viterbo: S. ED Editrice srl.

Tekst: © Selma Sevenhuijsen

Geplaatst in Divine Feminine, Etrusken, Het vrouwelijk goddelijke | Tags: , , , | Een reactie plaatsen